In 1430 had Philips de Orde van het Gulden Vlies opgericht ter gelegenheid van zijn huwelijk met Isabella van Portugal.

De orde bestond uit de soeverein (de hertog) en dertig ridders of broeders en had als doelstelling de bescherming van het geloof, de kerk en het algemeen wel zijn. Volgens de statuten behoorde de souverein zijn ordebroeders te raadplegen, voordat hij een oorlog zou beginnen. De Vliesridders waren op hun beurt verplicht de souverein altijd te ondersteunen en onderlinge geschillen aan hem voor te leggen. De Orde van het Gulden Vlies was door het beperkt aantal leden een exclusief gezelschap, waarvoor alleen belangrijke edelen uit de Bourgondische landen in aanmerking kwamen: de benoeming tot Vliesridder was dan ook de hoogste eer die een onderdaan van Philips ten deel kon vallen113.

wapenbord reinoud ii

Wapen van Reinoud van Brederode van het Kapittel in den Haag in 1456 (Foto: 1456)

In december 1445 was de Orde ter vergadering bijeen in Brugge. Tijdens deze bijeenkomst werden er voor het eerst edelen uit Holland en Zeeland tot de ridderorde gekozen, en wel Frank en Hendrik van Borselen én Reinoud van Brederode114. Zij zouden tot 1478 de enige Vliesridders blijven die geboren en getogen waren in Holland en Zeeland. Jan van Leyden zegt dat de Kabeljauwen protest aantekenden, toen er een bord met het wapen van Reinoud werd gemaakt voor de Orde. Zij wilden dat er op dit bord een stock, het teken van bastaardij, zou worden aangebracht. De biograaf van de Brederodes beweert dat Philips dit protest naast zich neer heeft gelegd, nadat hij een onderzoek had laten verrichten naar Reinouds afkomst in de archieven van de grafelijkheid in Den Haag en de abdij van Egmond. Of er werkelijk zo'n onderzoek is uitgevoerd, kan niet meer achterhaald worden115. Toen Reinoud tot de Orde werd toegelaten, was Simon van Lalaing, een broer van zijn schoonvader Willem, overigens al veertien jaar lid. Zes jaar later zou Jacob van Lalaing, de zwager van Reinoud, ook Vliesridder worden116.

Het valt niet meer te achterhalen, waarom Philips enkel Reinoud van Brederode, Frank en Hendrik van Borselen in de Orde van het Gulden Vlies liet kiezen. Hij heeft het lidmaatschap niet toebedeeld aan andere aanzienlijke edelen, zoals de heren van Egmond, Wassenaar of Montfoort. Het kan zijn dat hij zich wilde verzekeren van de loyaliteit van Reinoud en Frank door hen nauwer aan zijn persoon te binden. Zij golden immers als leiders van de Hoeken en Kabeljauwen en konden wel eens problemen maken als zijn zoon Karel hem zou moeten opvolgen als graaf van Holland en Zeeland. Hendrik van Borselen was de rijkste edelman van Zeeland en had recentelijk nauwe banden aangeknoopt met de koningen van Frankrijk en Schotland117. Mogelijk wilde Philips een man met dergelijke contacten liever onder controle houden, opdat er geen complicaties in de buitenlandse politiek zouden komen.

Het is opvallend dat de drie Vliesridders na hun verkiezing geen belangrijke functies meer hebben vervuld in het stadhouderlijk bestuur. Zij hebben bijvoorbeeld na 1445 nooit (meer) zitting gehad in de Raad van Holland. Reinoud, Frank en Hendrik werden wel raadsheer zonder wedde en kamerling, maar dit waren meer ereambten dan functies met groot maatschappelijk belang118. Verder was Frank nog houtvester van de Haarlemmerhout en opperste duinbewaarder van de graaf in Noordholland. Hij moest uit hoofde van deze functie het domein van Philips beheren langs de Hollandse kust119. Of dit alles bewust "personeelsbeleid" was van Philips, kan door het ontbreken van relevante bronnen niet vastgesteld worden.


113. De geschiedenis van de Orde is beschreven in De Reiffenberg, Toison d'Or, en in Boulton, Knights, 356-396. Biografieën van de leden in De Smedt, Chevaliers. Vergelijk Huizinga, Herfsttij, 78 en 80-82 en Prevenier/Block mans, Bourgondische Nederlanden, 139.

114. De Reiffenberg, Toison d'Or, 28. Aurelius, Divisiekroniek, f. 318. In januari 1446 hebben Reinoud en Frank hun ordetekens ontvangen uit handen van Toison d'Or, de wapenkoning van Philips, ADN, B, 1988, f. 76-76v.

115. Van Leyden, Brederode-kroniek, 643. De formulering in Van Gent, 'Pertijelike saken', 56, is niet accuraat, want er zijn wel degelijk bastaarden Vliesridder geworden, getuige De Smedt, Chevaliers, 80-82. Het ging de Kabeljauwen er louter om dat de bastaardij op het wapenbord zou worden aangegeven. In de Grote Kerk in Den Haag hangen de schilden van een aantal Vliesridders die aan wezig waren op de vergadering van mei 1456. Op Reinouds wapenbord ontbreekt inderdaad een stock.

116. B/VS, XI, 98-112 en 125-131. De Smedt, Chevaliers, 69-70 en 111-113.

117. Biografische gegevens in NNBW, X, 94-95 en in De Smedt, Chevaliers, 101-102.

118. ARA, AGH 716, caput Kennemerland, f. 19 en 22v-23 (Reinoud). ARA, AGH 717, caput Zeeland, f. 13v (Hendrik). Voor Frank heb ik geen vermelding gevonden, maar hij zal gezien zijn maatschappelijke positie genoemde functies vast wel gehad hebben.

119. Frank had deze aanstelling al in 1434 gekregen, ARA, AGH 87, f. 102v-103v, en AGH 896, f. 46 en 102v-103v.


Dit artikel is overgenomen uit de 20ste jaargang van het Jaarboek, 'Reinoud II,. Nummer 1/2 uit 1995
Auteur: M. J van Gent. Het volgende artikel: Krijgsdienst voor Philips. Voor het overzicht van alle artikelen zie: Een Hollandse luis in de Bourgondische pels.

Meer over: Orde van het Gulden Vlies