Vanaf 1427 heeft Reinoud van Brederode regelmatig lieden beleend met stukken grond

die hij geërfd had van Walraven van Brederode en Hendrik van Vianen, getuige zijn leenregisters. Deze akten van beleningen maken geen melding van een voogdijschap van Willem van Brederode, Jan van Vianen of wie dan ook74. Op 31 oktober 1433 gaf hij een charter aan de stad Ameide, waarin hij beloofde dat hij elk jaar op 24 juli nieuwe burgemeesters en schepenen zou aanstellen. Hij deed deze belofte bij goetduncken onser mag hen ende rade ende anders onsen trou wen vrunden. Ook aan Vianen en Meerkerk gaf hij dit jaar vergelijkbare privileges75. Dergelijke oorkonden werden vaak verleend wanneer een vorst of edelman als heer van de stad werd erkend. Enige maanden later, op 17 maart 1434, ontving de jonge heer van Brederode Ameide formeel in leen van bisschop Rudolf van Diepholt76. Later heeft hij deze heerlijkheid overigens afgestaan aan zijn broer Gijsbrecht77.

Jacob van abcoude.jpg

Jacob van Gaasbeek door Johan Frederik Croockewit (1832-1898) (Foto: het utrechtsarchief)

Uit deze handelingen valt op te maken dat Reinoud in het bezit was van alle familiegoederen van Brederode en Vianen. Het is onduidelijk, of hij in deze jaren ook de volledige beschikking heeft gekregen over de gebieden, die zijn voorvaderen in leen hadden gehad van de grafelijkheid. In de Zoen van Delft van 3 juli 1428 was vastgelegd dat alle verdreven aanhangers van Jacoba in hun oude bezittingen zouden worden hersteld. Deze restitutie verliep echter lang niet altijd vlot, omdat de betrokken goederen inmiddels vaak aan Kabeljauwen waren gegeven78. Sommige Hoeken hebben jarenlang moeten wachten, alvorens zij hun grafelijke lenen terug kregen79. Dit lijkt ook het geval te zijn geweest met betrekking tot Reinoud en de heerlijkheden Brederode, Voshol en Callantsoog. Zoals gemeld, had Jan van Beieren op 6 januari 1422 deze drie territoria aan Jacob van Gaasbeek in leen gegeven. Men mag aannemen dat deze vooraanstaande Kabeljauw zijn nieuwe bezittingen niet zomaar heeft willen op geven.

Op 9 oktober 1431 gaf Philips toestemming aan Reinoud om tot Kerstmis in Holland en Zeeland te verblijven, vergezeld door zes dienaren die geen vijanden of ballingen van de hertog mochten zijn80. Jan van Leyden vertelt in zijn Brederodekroniek dat enkele Kabeljauwen in 1433 een poging deden om Reinoud te vermoorden in het woonhuis van Jacoba van Beieren in Den Haag. Hij kon echter heimelijk ontsnappen door toedoen van zijn vrienden, die de aanvallers enige tijd bij de deur wisten tegen te houden. De geschiedschrijver van de Brederodes noemt de samenzweerders niet bij name en geeft evenmin een datering voor het gebeuren81. Zijn verhaal wordt ook niet door andere bronnen bevestigd. Het kan zijn dat het vrijgeleide en de aanslag te maken hebben gehad met problemen rond het bezit van Brederode, Voshol en Callantsoog. Wij vermoeden dat Reinoud in 1433 (?) deze lenen wel heeft teruggekregen, maar dat hij niet de hoge heerlijkheid van Brederode heeft ontvangen82. In elk geval lijkt de conclusie gerechtvaardigd dat de verstandhouding tussen Reinoud enerzijds en Philips en bepaalde Kabeljauwen anderzijds niet bepaald optimaal was. Of dit (mede) te maken had met Reinouds aanspraken op de grafelijke titels, is voorstelbaar maar niet aantoonbaar. Het probleem is namelijk dat er over het doen en laten van de heer van Brederode in de jaren dertig weinig is opgetekend.

Op 25 januari 1438 stelden hertog Arnold van Gelre en zijn broer Willem van Egmond een verdeling van hun erfgoederen op. Zij hadden als getuigen diverse aanzienlijke edelen uit Holland en Zeeland gevraagd, waaronder Frank van Borselen, Jacob van Gaasbeek en Hendrik van Borselen én Reinoud van Brederode83. Dit geeft aan dat de heer van Brederode algemeen in aanzien stond en contacten had met het Gelderse hof. Hij hield als heer van Ameide ook enkele kastelen en dorpen in de Bommelerwaard in leen van Arnold van Egmond84. Vermeldenswaard is nog dat Reinoud in de akte van 25 januari 1438 ridder wordt genoemd. Het is echter niet bekend, wanneer hij de ridderslag heeft gekregen en van wie.

In 1438-1439 maakte Reinoud een pelgrimstocht naar Palestina. Jan van Leyden zegt dat hij daar tot ridder van het Heilige Graf werd geslagen. Tijdens zijn afwezigheid traden zijn broer Gijsbrecht en zijn neef Hendrik van Vianen op als zaakwaarnemers85. Op 16 maart 1439 verzocht Hendrik aan de stadhouder, of Reinoud op een later tijdstip zijn leenhulde kon doen, aangezien hij overmeer was, oftewel in het Heilige Land. Hugo van Lannoy bepaalde dat Reinoud na zijn terugkeer zes weken de tijd zou hebben om hulde voor zijn grafelijke lenen te doen86. Op 4 september 1439 heeft Philips Reinoud uiteindelijk formeel beleend met alle alsulke heerlicheiden ende goeden als hij ende zijn voirvorderen, heren tot Brederode en tot Vyanen, van ons ende onsen voirvorderen ...te leen te houden plagen87.

Reinoud kreeg wel de opdracht om op Sint Jansdag (25 juli) steeds een jaargeld van 500 Hollandse guldens uit te keren aan Jacob van Gaasbeek, hetgeen wel bedoeld zal zijn als compensatie voor het afstaan van Brederode, Voshol en Callantsoog. Dit deed hij met grote tegenzin, afgaande op het feit dat Jacob meer dan eens de Raad van Holland moest inschakelen om uitbetaling te verzekeren88. Mogelijk als tegemoetkoming voor deze verplichting werd Reinoud benoemd tot raadsheer zonder wedde. Ook Gijsbrecht ontving een dergelijke aanstelling89. Aan het begin van de jaren veertig deed Reinoud enige transacties met territoria. In 1440 kocht hij de ambachtsheerlijkheid Schoorl van Gerrit van Zijl, een voormalig aanhanger van Jacoba van Beieren. Gerrit was lid van de Raad van Holland, maar kampte met financiële problemen. De ambachtsheerlijkheid was een grafelijk leen, vandaar dat de stadhouder de transactie moest goedkeuren90. Een jaar later verkochten Reinoud en Gijsbrecht hun deel van de heerlijkheid Gennep aan Adolf van Kleef, een hoge edelman aan het Bourgondische hof. Zij hadden Gennep tot dan toe bezeten als erfgoed van hun grootmoeder Yolanda van Gennep91.

gijsbrecht wapens 10

Plaat 3 Gijsbrecht van Brederode (Domraam + wapens) GA Utrecht. (Foto: Universiteit van Utrecht)

Gijsbrecht van Brederode was inmiddels ook al een man van aanzien geworden. Hij had voor een geestelijke carrière in het Sticht gekozen: op 11 maart 1435 werd hij kanunnik van de Dom van Utrecht en op 29 november 1437 domproost, waardoor hij de hoogste prelaat van bisschop Rudolf van Diepholt was geworden92. Hij was tevens nog proost van Oudmunster in Utrecht en raadsheer zonder wedde in Holland en Zeeland. In de jaren veertig en vijftig zou hij zijn intellectuele kennis en horizon vergroten door te studeren aan de 93 universiteiten van Parijs en Leuven93.

Ook hun zuster Walravina kwam goed terecht: zij huwde in april 1430 met Gerrit van Broekhuizen, de oudste zoon van Jan van Broekhuizen, heer van Waardenburg94. Walravina zal wel naar Gelre zijn verhuisd, want haar echtgenoot vervulde als erfhofmeester een hoge functie aan het hof van hertog Arnold. Gerrit sneuvelde op 3 november 1444 bij een veldslag in de omgeving van Erkelenz. Er zijn geen aan wijzingen dat Walravina na zijn dood naar haar familie in Holland is teruggekeerd95.

Het is niet duidelijk in hoeverre Reinoud en Gijsbrecht nog contacten onderhielden met hun oude voogden Jan van Vianen 16 van Noordeloos en Willem van Brederode, nadat zij eenmaal volwassen waren geworden. Jan van Vianen heeft zich na de huldiging van Philips weldra uit de actieve politiek teruggetrokken, want in januari 1435 werd zijn jaarwedde als lid van de Raad van Holland opgezegd. Op 5 april 1436 werd hij formeel in het bezit gesteld van alle lenen, die hij van de grafelijkheid hield. Tegelijkertijd kreeg hij toestemming om het beheer over de heerlijkheid Noordeloos over te dragen aan zijn oudste zoon en leenopvolger Gijsbrecht96. Jan is tenslotte op 16 oktober 1441 gestorven; hij moet ongeveer tachtig jaar zijn geworden97.

Willem van Brederode hield zich na 1433 ook meer en meer op de achtergrond. Hij wordt althans in de archiefstukken en kronieken niet of nauwelijks meer genoemd. In 1450 maakte hij tezamen met zijn vrouw Margaretha van der Merwede een pelgrimstocht naar Rome om de jubilee aflaat te verkrijgen. Zij zijn op hun terugreis gestorven ten gevolge van de pestilenci, ofwel de pest98.


74. Leenregisters van Reinoud zijn ARA, ALV 10 en ARA, AGH 776. Het eerste register zou akten op zijn naam bevatten uit 1427-1477 aldus Kort, 'Repertorium Cuykse lenen', 419. Ik kon dit niet controleren, aangezien het wegens de slechte materiële staat niet geraadpleegd mag worden. Het tweede register bevat akten vanaf 1429, zie ondermeer f. 1, 1v, 4, 16v en 34. Het heeft 59 folio's met leenakten die geen plaats van uitvaardiging hebben en die verdeeld zijn over de rubrieken Rijnland, Heemland, Maasland, Ter Aa, Noordholland en Waterland en (West-J Friesland. Vergelijk ook RAU, AHM 282, p. 16 en AHM 355.

75. De Geer, 'Handtveste Ameyde', 15-30.

76. Maris, Repertorium, 5. Hoek, 'Repertorium lenen bisschop', 286.

77. Gijsbrecht wordt ondermeer heer van Ameide genoemd in BNP, MF 11594, f. 114, afgedrukt in Doutrepont, 'Notice', 17, en in SAD, AHB, 40.

78. ARA, GRRek. 130, f. 67-69v, geeft opgave van gerestitueerd goed tussen 1428 en 1430. Hier wordt Reinoud niet genoemd.

79. Gerrit van Zijl werd pas op 14 mei 1434 door Philips beleend met alle lenen, die hij van de grafelijkheid in leen hield, ARA, AGH 713, f. 15, gedrukt in Van Mieris, Charterboek, IV, p. 1038 en Kam, 'Van Zijl', 199-200. Bartout van Assendelft kreeg zijn grafelijke lenen nog later terug, namelijk op 23 maart 1439, ARA, AGH 713, f. 101v.

80. ARA, HvH 1, f. 99v.

81. Van Leyden, Brederode-kroniek, 642-643.

82. ARHa AGH 716, caput Kennemerland, f. 18v-19. In 1436 gaf Reinoud een akte met betrekking tot Callantsoog uit. Hij moet toen derhalve heer van dit eiland zijn geweest, ARA, AGH 776, f. 49, gedrukt in Schoorl, 'tOge, 170. De rekeningen van de rentmeester van Kennemerland en de stad Haarlem geven geen informatie over het bezit van Brederode in de jaren twintig en dertig.

83. Nijhoff, Gedenkwaardigheden, IV, 159-164. Hij wordt in de akte here tot Brederode, tot Genp, tot Vyanen ind ther Ameyde genoemd.

84. Sloet, Register, 44 (nr. 28).

85. Van Leyden, Brederode-kroniek, 643, zonder datering. Melding van pelgrimage in Lombarts, Memorialen, IV, 68 (fragment) en VI, 551-556 (volledige tekst). Voor zaakwaarnemers: De Blécourt/Meijers, Memorialen, 283, en Lombarts, Memorialen, V, 127. Het leenregister van Reinoud (ARA, AGH 776) bevat ook geen akten uit de jaren 1438-1439.

86. ARA, HvH 3, f. 6, gedrukt in Lombarts, Memorialen, V, 127.

87. ARA, AGH 713, f. 145v, vermeld in Kort, 'Repertorium Teilingen', 693. De akte in kwestie is ondertekend door mr. Pieter van Beoostenzween (Beoistenzwene), sinds 1433 klerk van het grafelijk register, Van Riemsdijk, Tresorie, 366-367.

88. Lombarts, Memorialen, VII, 32 en 75, en XI, 33 en 37.

89. De Blécourt/Meijers, Memorialen, xxxix en xl. Vermeldingen als raad van Reinoud en Gijsbrecht in GAH, OSA 19/21, f. 131 en OSA 19/22, f. 150v-151 en in Lombarts, Memorialen, IV, 98, V, 123, VI, 522 en 551- 556, VII, 87,121 en 522, en IX, 265.

90. ARA, AGH 713, f. 151-151v. Biografische gegevens over Gerrit van Zijl in Kam, 'Van Zijl', 195-201.

91. NNBW.X, 128.

92. Biografische gegevens over Gijsbrecht in NNBW, X, 117-121, en Dek, 'Genealogie Brederode', 113.

93. Denifle/Chatelain, Auctarium, 575. Gabriel/Boyce, Auctarium, 109. Reusens, Matricule, 48.

94. Van Leyden, Brederode-kroniek, 641-642. Verzijl, 'Genealogie Broeckhuysen', 22, en Dek, 'Genealogie Brederode', 115, geven 6 april 1434 als datum voorde huwelijksvoorwaarden. Het moet echter 1430 zijn blijkens RAU, Hs. 322 deel 2, f. 154-155. Reinoud heeft op 6 april 1430 ook Rodenburg en Zevenhoven aan zijn zuster gegeven vanwege haar huwelijk, Kort, 'Leenhoven Vianen', 30 en 585.

95. Van Leyden, Brederode-kroniek, 641-642. Verzijl, 'Genealogie Broekhuysen', 22.

96. ARA, GRRek. 135, f. 35 (wedde). ARA, AGH 713, f. 44 (belening). Vermast, 'Heeren', 406, en Kort, 'Repertorium Arkel', 285, losten Paasstijl niet op.

97. Andriessen, Historia, 107 (Nederlandse tekst). Gijsbrecht ontving op 27 juli 1442 alle grafelijke lenen van zijn vader, ARA, AGH 714, caput Noordholland, f. 12v en caput Sticht, f. 2v-3.

98. Van Leyden, Brederode-kroniek, 640. NNBW, X, 144. Dek, 'Genealogie Brederode', 113. Het is niet bekend wie de goederen van Willem en Margaretha hebben geërfd; Reinoud kwam als naaste mannelijke erfgenaam zeker in aanmerking.


Dit artikel is overgenomen uit de 20ste jaargang van het Jaarboek, 'Reinoud II,. Nummer 1/2 uit 1995
Auteur: M. J van Gent. Het volgende artikel: Reinoud trouwt Yolanda van Lalaing. Voor het overzicht van alle artikelen zie: Een Hollandse luis in de Bourgondische pels.

Meer over: Gijsbrecht van Brederode, Jacob van Gaasbeek,