Met de overeenkomsten van 15 en 20 april 1420 was de tweedeling in Hoeken en Kabeljauwen een hard politiek gegeven geworden.

Jan van Beieren zag zich in de zomer van dit jaar genoodzaakt om Leiden te belegeren, aangezien deze stad een Hoeks bolwerk was geworden. Na een beleg van twee maanden gaven de Leidenaars zich op 17 augustus over. Alle "vreemdelingen" moesten de stad verlaten, waaronder ook Willem van Brederode52. Hij heeft zich waarschijnlijk op zijn bezittingen teruggetrokken; in elk geval horen wij niets meer van hem in de volgende jaren53. Dit geldt ook voor Jan van Vianen van Noordeloos. Hij was in februari 1419 het rentmeesterschap van Arkel kwijtgeraakt en in augustus 1420 volgden zijn resterende functies van drossaard van Arkel en kastelein van Gorinchem54.

Na de verovering van Leiden bezat Jan van Beieren een redelijk solide machtsbasis in Holland en Zeeland. Op 6 januari 1422 gaf hij de heerlijkheden Brederode, Voshol en Callantsoog in leen aan Jacob van Gaasbeek, één van zijn naaste medewerkers. Hij legitimeerde deze daad door te verwijzen naar het huwelijkscontract van Jan van Brederode en Johanna van Abcoude. Hun huwelijk was kinderloos gebleven en Jacob van Gaasbeek was de naaste erfgenaam geweest van Johanna. Het is mogelijk dat Jacob nog een vordering op de familie Van Brederode had en om die reden beslag had laten leggen op genoemde heerlijkheden55. Verder gaf hij op 25 juli aan Jan van Vianen van Jaarsveld het beheer over het kasteel Brederode56.

Wij mogen aannemen dat Jan van Beieren deze maatregelen heeft genomen om zijn positie in het noorden van Holland te verstevigen. Hij wist nu tenminste dat drie strategisch belangrijke heerlijkheden in bezit van een medestander waren. Hij vond het waarschijnlijk niet bezwaarlijk dat Reinoud in het bezit zou komen van andere, kleinere leengoederen. Dit valt af te leiden uit het feit dat hij de kynderen van Brederode enige malen uitstel heeft verleend om leenhulde voor deze gebieden te doen57. Noch Reinoud noch Gijsbrecht of Walravina hebben echter ooit een eed van trouw aan Jan van Beieren afgelegd en lenen van hem aanvaard. Ongetwijfeld waren zij en hun oom Willem juist zeer verbolgen over het verlies van het kasteel en de heerlijkheid Brederode; het ging immers om bezittingen die al twee eeuwen eigendom van de familie waren geweest.

Humphrey van Gloucester

Humphrey van Gloucester door Jacques Le Boucq, Foto: Publiek domein

Inmiddels had Jacoba van Beieren het Brabantse hof verlaten uit onvrede over de coulante opstelling van Jan IV ten opzichte van Jan van Beieren. Zij verklaarde in februari 1421 haar huwelijk met de hertog van Brabant ongeldig, omdat zij te nauw verwant zouden zijn. De gravin week uit naar Engeland en trouwde in oktober 1422 met Humphrey van Gloucester, een prins van koninklijke bloede. Haar nieuwe echtgenoot was op dat moment regent in Engeland voor zijn minderjarige neefje, koning Hendrik VI. In de zomer van 1424 werd alom rondverteld dat Humphrey en Jacoba een leger en een vloot opbouwden om Henegouwen, Holland en Zeeland te veroveren. In dezelfde tijd ondernam Jan van Vliet een poging om Jan van Beieren te vergiftigen door de folio's van zijn gebedenboek in te smeren met vergif. Jan van Vliet was getrouwd met een bastaardzuster van Jacoba en ontving het vergif van een Engelse koopman. Het is dan ook niet onwaarschijnlijk dat Humphrey en Jacoba achter deze aanslag zaten. Jan van Vliet moest zijn daad met de dood bekopen; hij werd op 3 augustus onthoofd en gevieren deeld58.

Op 16 oktober 1424 landden Humphrey en Jacoba met een leger in Calais, van waaruit zij naar Henegouwen trokken. Hier ontvingen zij het bericht dat hun tegenstander Jan van Beieren op 5 januari 1425 was overleden. De strijd om de macht in Holland en Zeeland kreeg nu een nieuwe wending. De Kabeljauwen huldigden Jan IV als hun graaf, maar deze verpachtte de beide graafschappen op 19 juli 1425 aan Philips van Bourgondië. Hij bleef zelf over Henegouwen regeren, zij het in nauwe samenspraak met Philips. Humprey van Gloucester was in april teruggegaan naar Engeland om versterkingen op te halen, zodat Jacoba alleen was achtergebleven in Henegouwen. Zij werd geconfronteerd met een gezamenlijke aanval van Jan IV en Philips en moest zich op 13 juni aan hen overgeven, waarna zij werd geïnterneerd in het Gravensteen in Gent. Het was de bedoeling dat zij hier zou blijven, totdat de pauselijke rechtbank uitspraak zou doen inzake de rechtsgeldigheid van haar huwelijk met Jan IV. De gravin was echter niet van plan zich gewonnen te geven: zij wist gekleed in mannekleding uit Gent te ontsnappen en keerde begin september 1425 terug in Holland.


52. Van Mieris, Charterboek, IV, 551-556. Van Kan, Sleutels, 165-166.

53. ARA, AGH 211, f. 86 en 87v.

54. Zijn opvolgers waren Reinout Sarisz. en Wouter van Heemskerk, ARA, AGH 1788 en AGH 894, f. 93, vermeld in Scheffer, 'Bevelboek', 115.

55. RA AGH 712, f. 32v, vermeld in Schoorl, 'f Oge, 169. Een ander afschrift van de akte bevindt zich in het register van Putten en Strijen, f. 26, vermeld in De Groot, 'Van Gaasbeek', 67-68 (noot 95), maar hij vergat de Paasstijl op te lossen.

56 ARA AGH 212, f. 171v (ingeplakt stuk). Nadere gegevens over Jan van Vianen van Jaarsveld in Dek, 'Geslachten', 131. Hij heeft blijkbaar in tegenstelling tot zijn verwanten de zijde van Jan van Beieren gekozen.

57. ARA, AGH 212, f. 51v en 75v en AGH 213, f. 23v en 76v.

58. Dek, Genealogie graven, 67. Van Mieris, Charterboek, IV, 729-730, vermeld in Prevenier/Smit, Dagvaarten, 635-636.


Dit artikel is overgenomen uit de 20ste jaargang van het Jaarboek, 'Reinoud II,. Nummer 1/2 uit 1995
Auteur: M. J van Gent. Het volgende artikel: De Zoen van Delft  Voor het overzicht van alle artikelen zie: Een Hollandse luis in de Bourgondische pels.

Meer over: Humphrey van Gloucester,