Walraven van Brederode werd begraven in het koor voor het hoogaltaar van de Grote Kerk van Vianen30.

Zijn dood moet een zware slag zijn geweest voor Johanna van Vianen, want eerder in 1417 had zij ook al haar vader ten grave moeten brengen. Hij was op 17 april overleden en had al zijn Viaanse bezittingen aan Johanna en Walraven nagelaten31. Johanna bleef thans achter met twee jongetjes, Reinoud en Gijsbrecht, én met een kind op komst. Jacoba van Beieren toon de haar medeleven door op 12 januari 1418 aan Gijsbrecht een jaargeld toe te kennen ter delging van de gelden die zij en haar vader van Walraven hadden geleend32. Mogelijk heeft de gravin op deze dag Reinoud beleend met het Hollands leengoed van zijn vader en grootvader, maar in dat geval moeten verwanten van Reinoud de leenhulde hebben gedaan, want de jonge heer van Brederode en Vianen was uiteraard nog veel te jong om zo'n eed te zweren. Hoe dit ook zij, er is geen akte van belening van Jacoba ten gunste van Reinoud bewaard gebleven.

Op 18 april 1418 stierf Johanna van Vianen bij de geboorte van haar derde kind, een meisje. Zij werd ter herinnering aan haar vader Walravina genoemd33. De families van Brederode en Vianen kwamen bijeen om voogden voor Reinoud, Gijsbrecht en Walravina aan te wijzen. Zij besloten dat Willem van Brederode en Jan van Vianen, heer van Noordeloos, het beheer van de familiegoederen op zich zouden nemen34. Hoe en waar de drie wezen zijn opgegroeid, is volstrekt onduidelijk, want zij worden in de jaren twintig niet of nauwelijks in documenten genoemd. Over hun voogden zijn wel meer gegevens beschikbaar.

Willem van Brederode was vóór 1404 getrouwd met Margaretha van der Merwede, de oudste dochter van Daniel van der Merwede en Margaretha van Heynen. Hij werd na de dood van Daniel in 1403 via zijn vrouw eigenaar van het slot ter Merwede bij Dordrecht en diverse heerlijkheden in de Grote Waard en de Zwijndrechtse Waard. Hij was heer van der Merwede, van Papendrecht, Wijngaarden, Ottoland, Slingeland, Goudriaan en Hofwegen. Ook de heerlijkheid Stein ten zuidwesten van Sittard behoorde tot zijn bezittingen35. Willem was raadsheer van Jan IV en Jacoba en bewaarde in 1418 en 1419 het zegel van de gravin36. Hij kreeg van hen toestemming om zich afzijdig te houden in hun strijd tegen Jan van Beieren, hetgeen men kan interpreteren als een gunstbewijs, maar ook als een teken van zwakte van de nieuwe machthebbers37.

Jan van Vianen was een broer van Hendrik II van Vianen38. Hij was gehuwd met Johanna (Sofia) van Herlaar, dochter van Jan van Herlaar, heer van Ameide, en Maria van Asperen. Hij stond zeer in aanzien bij Willem VI en Jacoba van Beieren, die hem opnamen in hun grafelijke raad. De gravin benoemde hem op 2 december 1417 tot rentmeester en drossaard van Arkel als opvolger van Walraven van Brederode39. Zij beleende hem op 2 februari 1418 met de heerlijkheden Noordeloos en Slingeland in de Alblasserwaard. Dit gebeurde om veel trouwer diensten wille, zo werd in de akte van belening verklaard40. Op 6 maart werd Jan ook nog kastelein van het kasteel van Gorinchem, gelegen aan de Merwede41. Bovendien beheerde hij tezamen met Lodewijk van Montfoort in de jaren 1418-1419 haar financiën als trésorier (rekenmeester). In september-december 1418 namen de beide trésoriers in afwezigheid van Jan IV het bestuur over Holland en Zeeland waar, kortom: hij nam in de Hoekse partij een vooraanstaande plaats in42.

Al gauw kregen Willem van Brederode en Jan van Vianen onenigheid over de vraag wie de nieuwe eigenaar van Vianen en Ameide moest worden. Jan eiste als naaste mannelijke erfgenaam de beide heerlijkheden voor zichzelf en zijn familie op, maar Willem kwam op voor de rechten van zijn neefje Reinoud. Na nieuw familie beraad werd het conflict tenslotte opgelost. Op 29 september 1419 wezen Hubrecht van Culemburg, Gijsbrecht van Vianen van Beverweerd, Gijsbrecht van Vianen van Rijsenburg en Jan van Vianen van Jaarsveld zowel Vianen als Ameide toe aan de Brederodes43. Willem van Brederode zou voortaan alleen de voogdij over de goederen van Brederode uitoefenen, terwijl Jan van Vianen het kasteel Batenstein zou (blijven) beheren en de heerlijkheden van Vianen en Ameide44.


30. Van Leyden, Brederode-kroniek, 639.

31. Andriessen, Historia, 106 (Nederlandse tekst); Dek, 'Geslachten', 128, en Heniger, 'Hendrik II', 5. Kort, 'Repertorium Cuykse lenen', 419, zegt dat Hendrik tot 1417 als leenheer wordt vermeld op basis van de Viaanse leenregisters. De Latijnse tekst bij Andriessen geeft 1418 als sterfjaar en ook Van Leyden, Brederode-kroniek, 641 plaatst Hendriks overlijden na Walravens dood. Dit moet derhalve wel onjuist zijn.

32. ARA, AGH 207, f. 20v-21 en 33. Van Mieris, Charterboek, IV, 449-450 (Gijsbrecht). Jan van Beieren heeft deze uitkering vermoedelijk ingetrokken, afgaande op Van Leyden, Brederode-kroniek, 641.

33. Van Leyden, Brederode-kroniek, 641.

34. Idem, 640.

35. Biografische gegevens in NNBW, X, 143-144, en Dek, 'Genealogie Brederode', 113, geeft circa 1402 voor het huwelijk. Vergelijk Kort, 'Repertorium Voorne', 188, en 'Repertorium Putten', 136. Van Leyden, Brederode-kroniek, 641 suggereert dus ten onrechte dat Willem pas na 1426 in het huwelijk is getreden.

36. Van Riemsdijk, Tresorie, 246-247, aangehaald in Prevenier/Smit, Dagvaarten, 532- 533. Zie voor het raadsheerschap ook het laatstgenoemde werk op p. 509,510,514,524- 525 en 535.

37. ARA, AGH 207, f. 47 en 57. Jacoba gaf dezelfde gunst ook aan Jacob van Gaasbeek en de inwoners van Weesp, Muiden en Gooiland, Van Mieris, Charterboek, IV, 481, en De Groot, 'Van Gaasbeek', 69, en Enklaar, Gooiland, 260-261.

38. Biografische gegevens in Dek, 'Geslachten', 129, en Andriessen, Historia, 107.

39. ARA, AGH 1787. De formele bevestiging van zijn aanstelling volgde op 6 maart 1418, blijkens ARA, AGH 894, f. 24 en Scheffer, 'Bevelboek', 108.

40. ARA, AGH 710, f. 8V, gedrukt in Van Mieris, Charterboek, IV, 457 en vermeld in Kort, 'Repertorium Arkel', 285 (belening).

41. ARA, AGH 894, f. 25, gedrukt in Van Mieris, Charterboek, IV, 468-469 en vermeld in Scheffer, 'Bevelboek', 108.

42. ARA, AGH 466 en 1271. Van Mieris, Charterboek, IV, 497-499. Van Riemsdijk, Tresorie, 239-241.

43. Van Schilfgaarde, Archief Culemborg, nrs. 692 en 693. Op 23 mei 1419 had Gerrit van Ockenberg, abt van Egmond, een akte uitgevaardigd, waarin hij verklaarde dat hij het huwelijkscontract van Walraven van Brederode en Johanna van Vianen had gezien. Het contract is geheel in deze akte opgenomen, Van Schilfgaarde, nr. 682. Men mag aannemen dat Gerrits verklaring werd opgesteld in verband met het onderhavige geschil. Voor de familierelaties: Dek, 'Geslachten', 128-133.

44. Van Leyden, Brederode-kroniek, 640. Het leenregister van Reinoud uit 1420-1424 (ARA, ALV 9) kan door de slechte materiële toestand voorlopig niet geraadpleegd worden. Kort, 'Repertorium Cuykse lenen', 419, zegt dat Willem van Brederode in 1419 vermeld wordt als leenheer. Er is een akte van belening op zijn naam als voogd van Reinoud in ARA, AGH 776, f. 56v. Akten van Jan van Vianen als voogd zijn te vinden in RAU, AHM 252, p. 116, en De Geer, 'Nyenrode', 92.


Dit artikel is overgenomen uit de 20ste jaargang van het Jaarboek, 'Reinoud II,. Nummer 1/2 uit 1995
Auteur: M. J van Gent. Het volgende artikel: Brederode en Vianen kiezen voor Jacoba.  Voor het overzicht van alle artikelen zie: Een Hollandse luis in de Bourgondische pels.

Meer over: Willem van Brederode