Wanneer men het leven van Reinoud in het juiste perspectief wil zien,

dan is enig inzicht in de politieke situatie in Holland en Zeeland in de eerste decennia van de vijftiende eeuw noodzakelijk. Albrecht van Beieren was sinds 1389 graaf van Henegouwen, Holland en Zeeland en heer van (West)-Friesland. Hij regeerde over zijn landen in samenspraak met vertegenwoordigers van de edelen en de steden, die hij regelmatig ter vergadering (dagvaart) bijeen liet komen. Verder had hij diverse raadsheren en vertrouwelingen, die hem van dag tot dag terzijde stonden in het landsbestuur en de uitoefening van de grafelijke rechtspraak.

Het was voor de edelen en de stedelijke notabelen zaak om het vertrouwen van de graaf te winnen en te behouden, want hij bepaalde door het aanstellen van ambtenaren, het uitdelen van grafelijke lenen en andere gunstbewijzen in sterke mate wie macht en aanzien genoot en wie niet. Albrecht had een selecte kring van gunstelingen die door het gewone volk de Kabeljauwen werden genoemd. Zijn zoon en erfopvolger Willem van Oostervant had ook een eigen groep vertrouwelingen gevormd, die bekend stonden als de Hoeken. De rivaliteit tussen deze beide groeperingen beheerste het politieke leven van Holland en Zeeland. Zij leidde in 1392-1394 zelfs tot een openlijke breuk tussen Albrecht en Willem naar aanleiding van de moord op Aleid van Poelgeest en Willem Cuser, respectievelijk de vriendin en de meesterknaap van de graaf. De graaf verdacht zijn zoon van betrokkenheid bij de aanslag, omdat hij nauwe banden had met de moordenaars en Cuser tot de Kabeljauwen behoorde. Nadat zij zich hadden verzoend, begonnen Albrecht en Willem een oorlog tegen de Friezen. Zij verenigden zodoende hun onderdanen en aanhangers voor een gezamenlijke krachtsinspanning, maar desondanks bleven de spanningen tussen de Hoeken en Kabeljauwen latent aanwezig4.

Gedurende deze jaren vormde het gebied tussen de Merwede en de Lek het grote spanningsveld in de landspolitiek. Tal van edelen hadden hier aanzienlijke gebieden in persoonlijk bezit en heerlijkheden in leen van de graaf van Holland, de bisschop van Utrecht en soms ook de hertog van Gelre. Het ging hierbij om Hoeken als Jan van Brederode, Otto van Asperen, Hendrik van Vianen, Dirk van der Lek en Philips van Polanen, maar ook om Kabeljauwen als Otto van Arkel, Arend van Egmond, Daniel van der Merwede en Paulus van Haastrecht5. Albrecht van Beieren moest de eigenaars van deze semi-onafhankelijke territoria wel nauwlettend in het oog houden, want hun gebieden lagen aan de grens van zijn graafschappen en aan twee rivieren die belangrijke handelswegen waren voor Dordrecht, de eerste stad van Holland en Zeeland. Willem van Oostervant had eveneens grote belangen in deze regio. Hij bezat namelijk de heerlijkheid Altena als apanage, waardoor hij al gauw betrokken raakte in de botsingen die er van tijd tot tijd tussen bovengenoemde edelen waren over grond- en visrechten6.

Eenmaal weer verzoend met zijn vader trachtte Willem van Oostervant zijn invloed op het landsbestuur te versterken door de Hoeken naar voren te schuiven bij benoemingen en de Kabeljauwen in diskrediet te brengen. Dit ging hem goed af, want tal van raadsheren van Albrecht vielen in ongenade en moesten het hof verlaten7. In 1402 was het de beurt aan Jan van Arkel, die na de dood van zijn vader Otto de nieuwe heer van Arkel was geworden. Albrecht verklaarde al zijn Hollandse bezittingen verbeurd en begon een oorlog om die in zijn macht te krijgen. Zowel de Hoeken als de Kabeljauwen trokken met hem ten strijde tegen Arkel: als zij de graaf niet hadden gehoorzaamd, hadden zij zich schuldig gemaakt aan felonie (ontrouw). Zij zouden dan ongetwijfeld zwaar zijn bestraft en hun leen goederen hebben verloren. Alleen Jan van Egmond probeerde nog wel zich zoveel mogelijk te onttrekken aan de oorlog, want hij was getrouwd met Maria van Arkel, de dochter van de verstoten edelman. In 1402 sloten Albrecht en Jan van Arkel een bestand, dat nadien enige malen werd verlengd.

Na het overlijden van Albrecht in 1404 werd Willem van Oostervant de nieuwe graaf van Holland en Zeeland (Willem VI). Hij steunde in de uitoefening van zijn macht hoofdzakelijk op zijn oude vertrouwelingen, oftewel de Hoeken. In februari 1405 hervatte Willem de strijd tegen Jan van Arkel en diens erfzoon Willem. Zijn tegenstanders wisten zich dankzij de steun van de hertog van Gelre nog lang te handhaven, maar moesten tenslotte buigen: in 1412 kon Willem alle Arkelse landen aan het grafelijk domein toevoegen8. Jan en Willem van Arkel waren echter niet van zins te berusten in het verlies van hun familiegoederen.


4. Algemene gegevens bij Waale, Arkelse oorlog, 44-48,68-69 en 83-84; Bos-Rops, Graven, 69,77-81 en 93-94 en Janse, Grenzen, passim en met name 110-119. 

5. Voor hun politieke gezindheid: GA Le OSA 80, f. 49-49v, Van Mieris, Charterboek, III, 582 en 617, en Prevenier/Smit, Dagvaarten, 320 en 336. Voor het bezit van de familie Van Brederode in genoemd gebied: Obreen, 'Bijdragen', 265.

6. Waale, Arkelse oorlog, 83-84. Janse, Grenzen, 111-112.

7. Janse, Grenzen, 345-351.

8. Waale, Arkelse oorlog, 80-147.


Dit artikel is overgenomen uit de 20ste jaargang van het Jaarboek, 'Reinoud II,. Nummer 1/2 uit 1995
Auteur: M. J van Gent. Het volgende artikel: De geboorte van Reinoud.  Voor het overzicht van alle artikelen zie: Een Hollandse luis in de Bourgondische pels.

Meer over: Albrecht van Beieren, Willem van Oostervant,